Embassy Seal US Department of State
flag graphic
    Article detail
2004-09-15

Internationaal rapport inzake godsdienstvrijheid 2004 - Hoofdstuk België

Uitgegeven door het Bureau voor Democratie, Mensenrechten en Arbeid.

Wat volgt is een officieuze vertaling. Zij wordt uitsluitend ter beschikking gesteld voor het gemak van de lezer.Public Affairs Afdeling, Ambassade van de V.S. te Brussel.

Hoofdstuk I. Religieuze demografie

België heeft een totale oppervlakte van 11.780 vierkante mijl en telt ongeveer 10,3 miljoen inwoners.
De bevolking is hoofdzakelijk rooms-katholiek. In de godsdienstenquête van 2001, opgezet door een aantal universiteiten, verklaart ongeveer 47 percent van de bevolking tot de rooms-katholieke kerk te behoren. Volgens dezelfde cijfers telt het land bijna 364.000 moslims en 380 moskeeën. De protestanten zijn met 125.000 tot 140.000. De Grieks- en Russisch-orthodoxe kerken tellen zowat 70.000 volgelingen. De Joodse bevolking wordt geschat op 45.000 tot 55.000. De Anglikaanse kerk telt 10.800 leden. De belangrijkste niet-erkende religieuze groepen zijn Jehova’s getuigen met ongeveer 27.000 gedoopte leden en de Kerk van de Heiligen der Laatste Dagen (mormonen) met bijna 3.000 volgelingen.
Schattingen geven aan dat ongeveer 15 percent van de bevolking zich met geen enkele godsdienst identificeert. Ongeveer 7,4 percent beschrijft zichzelf als leek (lid van een niet-confessionele filosofische organisatie) en nog eens 1,1 percent behoort tot het georganiseerde lekendom.
Volgens een enquête van 1999, georganiseerd door een onafhankelijke academische groep, woont 11,2 percent van de rooms-katholieke bevolking wekelijks een eredienst bij; de katholieke kerk zelf schat dat 10 tot 15 percent van de bevolking de kerkelijke erediensten bijwoont. Toch blijft godsdienst erg belangrijk in de grote gebeurtenissen van het leven. Zo blijkt uit de enquête dat bij de katholieke bevolking in 1999 65 percent van de kinderen bij de geboorte werd gedoopt, 49,2 percent van de paren voor een kerkelijk huwelijk koos en 76,6 percent van de begrafenissen gepaard ging met religieuze riten.

Hoofdstuk II. Status van de godsdienstvrijheid

Juridisch kader/beleid

De grondwet voorziet in godsdienstvrijheid en de overheid respecteert die vrijheid doorgaans ook in de praktijk.
De overheid "erkent" het rooms-katholicisme, het protestantisme (met inbegrip van de evangelische kerk en de pinksterkerken), het jodendom, het anglikanisme, de islam en de orthodoxe christenen (Grieks en Russisch). De representatieve organen van deze godsdiensten krijgen overheidssubsidies. De overheid steunt ook de vrijheid om toe te treden tot lekenorganisaties. Die seculiere humanistische groepen worden beschouwd als een zevende erkende “godsdienst” en hun overkoepelende organisatie, de Centrale Raad van Niet-Religieuze Filosofische Gemeenschappen van België, ontvangt vergelijkbare fondsen en voordelen als de zes andere erkende godsdiensten.
De federale regering en het parlement zijn verantwoordelijk voor de erkenning van de godsdiensten en de verloning en de pensoenuitkeringen van de geestelijken van die religies. In 2001 keurde het parlement grondwettelijke hervormingen goed waarbij het godsdienstonderwijs, de boekhouding van religieuze groepen en religieuze gebouwen onder de jurisdictie van de gewestelijke regering vallen. Lekenorganisaties blijven onder de jurisdictie van de federale overheid.
Wettelijk heeft elke erkende godsdienst het recht op kosten van de gemeenschap leraars aan te stellen voor godsdienstonderwijs in de openbare school. De overheid betaalt ook de lonen, de pensioenen en de huur van de geestelijken en subsidieert de bouw en de renovatie van de religieuze gebouwen van de officiële godsdiensten. De ecclesiastische besturen van de officiële godsdiensten hebben wettelijke rechten en verplichtingen en de gemeenten waar zij gevestigd zijn, draaien op voor de schulden die zij maken. Sommige subsidies worden betaald door de federale overheid, andere door de gewestelijke overheid en de gemeenten. Uit een onafhankelijk academisch onderzoek blijkt dat de overheid in 2000 globaal 523 miljoen dollar (ongeveer 23 miljard Belgische frank) aan de erkende godsdiensten heeft uitgekeerd. Van dat bedrag ging 79,2 percent naar de katholieke kerk, 13 percent naar de lekenorganisaties, 3,5 percent naar de moslims, 3,2 percent naar de protestanten, 0,6 percent naar de joden, 0,4 percent naar de orthodoxe christenen en 0,1 percent naar de anglikanen.
De overheid hanteert vijf criteria voor de erkenning van een religieuze groep: de godsdienst moet over een structuur of een hiërarchie beschikken; de groep moet voldoende leden tellen; de godsdienst moet geruime tijd bestaan in het land; hij moet een sociale waarde vertegenwoordigen voor het publiek en hij moet zich houden aan de wetten van de staat en aan de openbare orde. De vijf criteria worden niet toegelicht in wetten of decreten en de overheid geeft geen formele omschrijving van de termen ‘voldoende leden’, ‘geruime tijd’ of ‘sociale waarde’. Een religieuze groep die officieel erkend wil worden, richt een aanvraag tot het Ministerie van Justitie, dat vervolgens een grondig onderzoek uitvoert alvorens een positieve of negatieve aanbeveling te doen. De definitieve erkenning komt uitsluitend toe aan het parlement, hoewel dat meestal de aanbeveling van het Ministerie van Justitie volgt. Een groep die niet door het Ministerie van Justitie wordt erkend, kan tegen die beslissing in beroep gaan bij de Raad van State.
De niet-erkenning belet een religieuze groep niet haar geloof vrij en open te belijden. Niet-erkende groepen komen niet in aanmerking voor overheidssubsidies, maar kunnen als vereniging zonder winstoogmerk wel aanspraak maken op belastingvrijstelling.
De Moslimexecutieve, de groep die door de overheid officieel wordt erkend als vertegenwoordiger van het moslimgeloof, kreeg overheidsfondsen in de periode waarnaar dit rapport verwijst, maar de moskeeën, de imams, de moslimscholen en de moslimonderwijzers niet. De moskeeën en de imams hebben nooit subsidies gekregen ondanks het feit dat de regering in 1999 officieel besliste de Moslimexecutieve als administratief instrument voor de verdeling van de overheidssubsidies te erkennen. Drie problemen hebben de uitkering aan moskeeën en imams vertraagd, twee ervan waren nog steeds niet opgelost ten tijde van de redactie van dit rapport. Het eerste probleem, de verkiezing van een nieuwe Moslimexecutieve, werd opgelost, maar niet zoals de Moslimexecutieve zelf had gehoopt. De termijn van de voorlopige Moslimexecutieve liep af op 31 mei, maar door onenigheid tussen de executieve en de federale overheid met betrekking tot een aantal verkiezingsprocedures liep de verkiezing van de nieuwe raad vertraging op. Het tweede probleem is van grondwettelijke aard. In 2003 droeg de federale regering de verantwoordelijkheid voor de bouw en het onderhoud van moskeeën over aan de gewestregeringen, maar aan het einde van de periode waarnaar dit rapport verwijst, heeft geen enkele regionale regering de noodzakelijke implementatiewetten goedgekeurd. De Moslimexecutieve enerzijds en de federale en deelregeringen anderzijds moeten ten slotte een overeenkomst bereiken over de lijst van moskeeën en imams die voor subsidies in aanmerking komen.
In 1993 richtte de overheid officieel het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding op. Dit centrum, ook bekend als het anti-racismecentrum, is een onafhankelijke dienst die alle klachten rond niet-geslachtsgebonden discriminatie met inbegrip van religieuze varianten behandelt. Hoewel het centrum formeel deel uitmaakt van het kabinet van de eerste minister, staat het onder toezicht van het Ministerie van Sociale Integratie. De directeur wordt aangesteld door de eerste minister voor een termijn van zes jaar, maar kan na zijn benoeming niet meer door de premier ontslagen worden. Verscheidene niet-gouvernementele organisaties zoals de MRAX (Mouvement contre le racisme, l’antisémitisme et la xénophobie), de Ligue des Droits de l'Homme en de Liga voor de Mensenrechten houden zich eveneens bezig met de promotie van de godsdienstvrijheid. De regering heeft voorgesteld in september als gastheer op te treden voor een OVSE-conferentie tegen racisme als vervolg op de OVSE-conferentie rond antisemitisme, die in mei in Berlijn werd gehouden.

Beperkingen op de godsdienstvrijheid

Het beleid en de praktische toepassing ervan droegen in het algemeen bij tot de vrije godsdienstbeleving, hoewel de regering een aantal niet-erkende religieuze groepen bleef volgen en observeren die in een rapport van een parlementaire commissie in 1997 als “schadelijke sekten” waren bestempeld.
Die speciale parlementaire commissie was opgericht om de potentiële gevaren van bepaalde sekten te onderzoeken en publiceerde in 1997 een rapport waarin alle sekten werden opgesplitst in twee grote categorieën. Hoewel er nergens sprake was van illegale sekten, omschreef de commissie de eerste categorie, de zogeheten “respectabele” sekten, als “georganiseerde groepen van personen die binnen een godsdienst dezelfde leer aanhangen” en die een weerspiegeling vormen van de normale toepassing van de vrijheid van godsdienst en van vereniging zoals voorzien in de basisrechten. De commissie definieerde de tweede categorie, de “gevaarlijke sektarische organisaties”, als “groeperingen met een levensbeschouwelijk of godsdienstig doel die zich in hun organisatie of praktijken overgeven aan schadelijke onwettige activiteiten, het individu of de samenleving schaden of de menselijke waardigheid aantasten.”
Bij het rapport was een becommentarieerde alfabetische lijst van 189 religieuze sektarische organisaties gevoegd waaronder Jehova’s getuigen, de Kerk van de Heiligen der Laatste Dagen (mormonen), de Church of Scientology en de Young Women's Christian Association (YWCA). Hoewel de auteurs in de inleiding van de lijst duidelijk onderstreepten dat zij niet de bedoeling hadden deze groepen als “gevaarlijk” te bestempelen, werd de lijst bij de journalisten en het publiek al snel bekend als de lijst van de “gevaarlijke sekten”. Het parlement nam uiteindelijk twee aanbevelingen uit het rapport over (oprichting van twee nieuwe organen), maar de lijst werd nooit goedgekeurd en heeft dus geen wettelijke basis.
Sommige religieuze groepen die voorkomen in de parlementaire lijst van 1997, blijven zich erover beklagen dat hun opname in de lijst tot diverse discriminaties heeft geleid. In juli 2003 gaf de International Helsinki Federation for Human Rights een rapport uit waarin zij beweerde dat de regering geen efficiënte maatregelen had getroffen om de vijandigheid en de discriminatie ten aanzien van de leden van religieuze groepen die als “sekten” geboekstaafd stonden, te voorkomen. De regering reageerde niet en beweerde dat er geen officiële klachten waren binnengelopen.
Naar aanleiding van het parlementaire rapport keurde het parlement een wet goed die de oprichting van twee nieuwe organisaties regelde: een observatorium voor schadelijke sekten en een overkoepelende coördinatiecel. Het Informatie- en Adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisaties zamelt openbare gegevens in over een breed scala van religieuze en filosofische groepen en verstrekt op verzoek informatie en advies aan het publiek met betrekking tot de wettelijke rechten inzake vrijheid van vereniging, privacy en godsdienstvrijheid. De bibliotheek van het centrum is vrij toegankelijk voor het publiek en bevat informatie over godsdienst in het algemeen en over specifieke religieuze groepen, onder meer inlichtingen die afkomstig zijn van die groepen zelf. Het centrum is gerechtigd om alle ingezamelde informatie over religieuze sekten openbaar te maken, maar is niet gemachtigd om naar het publiek toe evaluaties van individuele sektarische organisaties te maken. Ondanks zijn naam mag het centrum geen afzonderlijke groepen als schadelijk bestempelen.
De overkoepelende coördinatiecel houdt uitsluitend vertrouwelijke informatie bij en werkt samen met de juridische en veiligheidsinstellingen van de overheid om het regeringsbeleid te coördineren. Theoretisch vergadert de cel driemaandelijks om gegevens over sektarische activiteiten uit te wisselen. In de periode waarnaar dit rapport verwijst, kwam zij evenwel slechts eenmaal samen. De cel publiceert geen openbare rapporten of verslagen. Voorts heeft de regering in elk van de 27 gerechtelijke districten een federale aanklager en een magistraat aangesteld om toezicht te houden op aanklachten waarbij sekten betrokken zijn.
Het rapport van de parlementaire commissie raadt de gemeenten ook aan voorlichtingscampagnes te organiseren om het publiek, en dan vooral kinderen, te wijzen op het verschijnsel van de schadelijke sekten. In een wet van 1998 wordt de nationale staatsveiligheid formeel belast met het toezicht op schadelijke sectarische organisaties die een potentieel gevaar voor de binnenlandse veiligheid zouden kunnen vormen. Een speciale cel van agenten en ordehandhavers komt tweemaandelijks bijeen om gegevens over sektarische activiteiten uit te wisselen. De meeste politiediensten hebben een verantwoordelijke aangesteld die zich specifiek met sektezaken bezighoudt. Die komt evenwel alleen in actie als er een officiële klacht is neergelegd. Hoewel er geen vervolgingen tegen schadelijke sekten werden ingesteld, bevroor een aanklager in juni 2003 een bedrag van ongeveer 375.000 dollar (326.000 euro) op een bankrekening van de Church of Scientology omdat er een vermoeden van witwaspraktijken bestond. Later op het jaar werden de geblokkeerde fondsen opnieuw vrijgegeven, maar het gerechtelijk onderzoek naar de operaties van de Church of Scientology werd voortgezet op verdenking van fraude, inbreuken op de privacywet en bendevorming. Het onderzoek begon in 1999 en tegen eind 2003 meldde de onderzoeksrechter dat het bijna was afgerond en dat de zaak in 2004 officieel kon worden behandeld. Bij het verstrijken van de periode waarnaar dit rapport verwijst, was er geen formele aanklacht ingediend.
Een van de doelwitten van het gerechtelijk onderzoek stootte in november 2003 op een rapport van de staatsveiligheid over de Church of Scientology. In het rapport werden de activiteiten en de leer van de Church of Scientology zowel internationaal als lokaal geanalyseerd. Sinds eind 2003 probeert de Church of Scientology International een dialoog met de regering tot stand te brengen over de gegevens en de analyse in dit en andere rapporten.
Naar aanleiding van de opening van het European Office for Public Affairs en Human Rights van de Church of Scientology op 17 september in Brussel werd in de media onderstreept dat de Church door de overheid in 1997 als “schadelijk” was bestempeld. De opening van dit kantoor werd door ten minste één leidinggevende commentator aangehaald als een goede reden om het Informatie- en Adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisaties extra middelen te geven. De regering heeft de aantijgingen nooit openlijk besproken, maar regeringsambtenaren verklaren regelmatig dat er geen officiële lijst van “schadelijke sekten” bestaat.
In februari 2002 arresteerde de politie vijf Amerikaanse vrijwilligers in een school en mediacentrum van het genootschap Assemblies of God omdat zij werkten zonder arbeidsvergunning. Vier van hen werden kort daarop uitgewezen. Predikanten van Assemblies of God kregen jarenlang een zendelingenvisum, zodat ze geen arbeidsvergunning nodig hadden. De overheid zegt nu dat de predikanten niet aan het zendelingenstatuut voldoen en in het bezit moeten zijn van een arbeidsvergunning, maar heeft nog geen vergunning aangewezen voor vrijwilligerswerk. In de nasleep van de uitwijzingen werd de school door de leiders van Assemblies of God gesloten. Aan het einde van de periode waarnaar dit rapport verwijst, was de school nog steeds gesloten en hadden de medewerkers van Assemblies of God nog steeds geen aanvaardbare manier gevonden om buitenlandse vrijwilligers te werk te stellen in de school.
De mormonen blijven zoeken naar een oplossing om hun zendelingen aan een visum te helpen. De overheid heeft de uitreiking van visa aan mormoonse zendelingen verscheidene maanden in 2000 en opnieuw vanaf november 2001 ingetrokken. Mormoonse zendelingen werken als onbetaalde vrijwilligers. Zij komen niet in aanmerking voor de arbeidsvergunningen die noodzakelijk zijn om een visum te krijgen onder de wet op de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten van 1999 en evenmin voor een zendelingenvisum omdat de Kerk van de Heiligen der Laatste Dagen niet officieel erkend is. In juni 2002 gingen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en dat van Buitenlandse Zaken, na inspanningen van de kerkleiders en de Amerikaanse ambassade, akkoord om mormoonse vrijwilligers vrij te stellen van het vereiste attest. Zoals overeengekomen werden er 85 hangende visa uitgereikt en er blijken geen beperkingen te bestaan op de activiteiten van de ontvangers van die visa. In maart 2003 verzochten de mormoonse kerkleiders de Belgische regering om de overeenkomst schriftelijk te formaliseren. Aan het einde van de periode waarnaar dit rapport verwijst, was er nog steeds geen schriftelijke overeenkomst.
In het kader van de toewijzing van kinderen bij echtscheidingen en de toekenning van het bezoekrecht vonnisten sommige Vlaamse rechtbanken dat een ouder die geen hoederecht heeft en lid is van Jehova’s getuigen, zijn of haar kind tijdens de bezoekperiodes niet mag blootstellen aan de leer of de levenswijze van die religieuze groep. De rechtbanken oordeelden dat die blootstelling schadelijk is voor het kind. Andere rechtbanken hebben die beperking evenwel niet opgelegd en de meeste bronnen verklaren dat de arresten zijn ingegeven door argumenten met betrekking tot het hoederecht en zeker niet door religieuze bezwaren. Toch beweerde een vertegenwoordiger van Jehova’s getuigen dat er nog steeds vonnissen in die aard geveld worden.
In overeenstemming met de religieuze of niet-religieuze voorkeur van de leerling is godsdienstonderricht of "zedenleer" een verplicht vak op de openbare school. Alle openbare scholen hebben een onderwijzer voor elk van de zes erkende godsdiensten. Een zevende optie, een nonconfessionele of seculiere cursus moraal, is beschikbaar als het kind geen religieuze lessen wenst bij te wonen. Godsdienstonderwijzers in openbare scholen worden aangesteld door een speciaal comité van hun religieuze groepering en benoemd door het Ministerie van Onderwijs. Erkende particuliere religieuze scholen die hetzelfde curriculum volgen als de openbare scholen, staan bekend als “vrije" scholen en krijgen overheidssubsidies voor werkingskosten en lonen. Bijna alle vrije scholen zijn rooms-katholiek en onderwijzen uitsluitend de rooms-katholieke godsdienst.
Er waren geen rapporten van religieus geïnspireerde aanhoudingen of opsluitingen.

Gedwongen religieuze bekering

Er waren geen rapporten van gedwongen religieuze bekeringen, ook niet met betrekking tot Amerikaanse burgers die ontvoerd of illegaal uit de VS zijn gezet, of rond de weigering om dergelijke burgers toe te staan naar de VS terug te keren.

Misbruiken door terroristische organisaties

Er waren geen meldingen van misbruiken door terroristische organisaties, gericht tegen specifieke godsdiensten, tijdens de periode waarnaar dit rapport verwijst.

Hoofdstuk III. De houding van de samenleving

De doorgaans vriendschappelijke betrekkingen onder de godsdiensten in de samenleving droegen bij tot de godsdienstvrijheid, hoewel verscheidene religieuze groepen melding maakten van discriminatie, vooral joden en moslims, maar ook religieuze groepen die niet officieel door de overheid “erkend” zijn.
De joodse gemeenschap maakt zich zorgen over het groeiend antisemitisme. Eind juni waren er verscheidene gevallen van fysieke aanrandingen van joodse burgers. Die incidenten kwamen uitgebreid aan bod in de nationale media. Leden van de joodse gemeenschap beweerden dat er zich in de periode waarnaar dit rapport verwijst losse incidenten met beledigingen en intimidatie hebben voorgedaan. Het anti-racismecentrum verklaarde dat er in 2003 26 rapporten van anti-semitische incidenten binnenliepen. Dat is een daling in vergelijking met de 62 rapporten van 2002. Tussen februari en april ontving het anti-racismecentrum nog 17 klachten over anti-semitische incidenten.
De incidenten lijken grotendeels te worden veroorzaakt door moslimimmigranten en zijn ingegeven door de gebeurtenissen in het Midden-Oosten. De zwaarste aanval in de periode waarnaar dit rapport verwijst, vond plaats op 24 juni, toen een aantal jongeren, naar verluidt van Noord-Afrikaanse origine, vier joodse studenten molesteerden bij het verlaten van een joodse school in een Antwerpse buitenwijk. Een vluchtende student werd neergestoken en ernstig verwond. De joodse studenten van de school waren eerder al door deze jongeren beledigd en geïntimideerd. Aan het einde van de periode waarnaar dit rapport verwijst, zocht de politie nog steeds naar de aanvallers. Twee dagen na de steekpartij was er een meeting aan het monument van de joodse martelaren in Brussel die werd bijgewoond door federale en regionale ministers en vertegenwoordigers van de grote partijen, instellingen en andere godsdiensten, waaronder het hoofd van de Moslimexecutieve.
Op 26 juni kondigde de federale minister van Justitie aan dat zij de onderzoeksrechters strenge richtlijnen had gegeven om iedereen te vervolgen die zich schuldig maakte aan anti-semitisme, zowel verbaal of fysiek als op het internet. Dezelfde avond werden drie joodse studenten van de school die ook door het neergestoken slachtoffer werd bezocht, lastig gevallen door vier jongeren in een wagen. Een van hen vuurde met wat naar alle waarschijnlijkheid een speelgoedwapen was in de richting van de studenten, waarna de belagers wegreden. Er vielen geen gewonden. Later die avond werd een 13-jarige joodse jongen in een andere Antwerpse wijk afgeranseld door drie jongeren. Een 11-jarige Marokkaan en twee Belgen, 8 en 16 jaar oud, werden aangehouden en door een jeugdrechtbank veroordeeld voor racistisch geweld en aanranding. Zij moesten zich bij het slachtoffer verontschuldigen en een schadevergoeding betalen. Nog dezelfde avond werd een joodse jongen in de Antwerpse hoofdstraat naar verluidt herhaaldelijk geslagen door verscheidene immigranten, die vervolgens op de vlucht sloegen.
Op de betoging van 28 juni tegen het groeiende anti-semitisme beloofde de Antwerpse burgemeester aan de joodse gemeenschap dat de politie het probleem prioritair zou aanpakken. Op 29 juni kondigde de federale minister van Binnenlandse Zaken aan dat sommige plaatsen die druk door de joodse gemeenschap worden bezocht, zoals scholen en synagogen, onder verhoogd politietoezicht zouden worden geplaatst en dat de federale regering bijkomende maatregelen onderzocht. Op 30 juni ontmoette premier Verhofstadt de leiders van de joodse gemeenschap. Hij drukte de bezorgdheid van de regering over de aanslagen uit en stelde vast dat de politiebescherming was opgevoerd. De volgende dag verklaarde hij in het parlement dat dergelijke aanvallen regelrechte aanslagen vormden op de fundamentele waarden en instellingen van het land en niet getolereerd zouden worden. Het gerecht had de opdracht gekregen deze aanvallen absolute prioriteit te geven. Zo lopen er in Brussel momenteel 61 onderzoeken en een aanklacht en ook Antwerpen maakt zich op om dezelfde lijn te volgen. De premier riep de gewesten ook op om het anti-semitisme en het racisme strenger aan de kaak te stellen in het onderwijs. De leiders van de joodse gemeenschap hebben ten aanzien van buitenlandse diplomatieke waarnemers aangegeven dat zij gerustgesteld waren door de inspanningen van de regering, maar dat zij bezorgd bleven over deze uitbarsting van geweld.
Op een indoorvoetbalwedstrijd tussen België en Israël op 28 januari werden de Israëli’s verbaal gemolesteerd door toeschouwers met Hamas- en Hezbollahvlaggen, die anti-semitische slogans scandeerden, sommige in het Arabisch. De stad Hasselt (waar de wedstrijd doorging), het anti-racismecentrum en een lokale joodse organisatie legden een paar dagen later officieel klacht neer. De klacht wordt door de politie actief opgevolgd en het onderzoek loopt nog. Er werd niemand aangehouden in de periode waarnaar dit rapport verwijst. In februari werd een groep studenten aan een joodse school in Brussel aangevallen door jongeren uit de buurt, die hoofdzakelijk door moslimimmigranten wordt bewoond.
In juni 2003 ontsnapte de synagoge in Charleroi aan een aanslag met een bomauto. Een van de daders werd opgepakt. Hij werd ontoerekeningsvatbaar verklaard en in een inrichting geplaatst.
Hier en daar worden er nog steeds anti-semitische toespraken gehouden (geen aanvallen) door extreem-rechtse individuen en neonazigroepen. Ook zij worden vervolgd door het anti-racismecentrum, dat in september 2003 een proces won tegen twee individuen die de holocaust ontkenden, wat verboden is in België. De twee werden veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, een boete van 561 dollar (500 euro) en de kosten van het geding. De regering bleef de aanvallen op de joodse gemeenschap in sterke bewoordingen veroordelen en hield het verstrengd toezicht in de buurt van synagogen en joodse gemeenschapshuizen in stand. Zij heeft prompt gereageerd op de bezorgdheid van de joodse gemeenschap. De premier ontving hun vertegenwoordigers en beloofde dat de regering het probleem grondig zou onderzoeken, onlangs nog op 30 juni. In mei werd de politiebescherming opgevoerd. De minister van Sociale Integratie riep een werkgroep samen bestaande uit de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, de politiediensten, het anti-racismecentrum en vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap. In mei gaf zij tevens de toelating voor de compilatie van een rapport over het probleem en de percepties ervan. De inhoud van het rapport wordt in principe bekendgemaakt in september.
Het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding, een onafhankelijke overheidsdienst, meldde dat in 7,5 percent van de discriminatieklachten die in 2002 bij het Centrum aanhangig werden gemaakt, religieuze overtuigingen werden aangehaald als basis voor de vermeende discriminatie. In mei gaf het centrum een rapport over 2003 uit waarin onder meer het anti-semitisme werd toegelicht.
Op nationaal vlak houdt de Nationale Oecumenische Commissie jaarlijks een algemene vergadering om diverse religieuze thema’s te bespreken. De katholieke kerk sponsort werkgroepen op nationaal niveau om de dialoog in stand te houden en de verdraagzaamheid onder alle religieuze groepen te bevorderen. Op lokaal niveau hebben alle katholieke diocesen commissies voor dialoog onder de verschillende geloofsovertuigingen opgericht.
De voorzitter van de Moslimexecutieve onderhoudt contacten met de leiders van andere religieuze groepen, zowel erkende als niet-erkende. Nadat de joodse student op 25 juni in Antwerpen was neergestoken, verscheen hij samen met de hoofdrabbijn op een door de televisie gefilmde openbare meeting in Brussel, waar hij de aanval veroordeelde.

Hoofdstuk IV. Het Amerikaans beleid

De Amerikaanse overheid bespreekt de problemen rond godsdienstvrijheid met de regering in het kader van haar globaal mensenrechtenbeleid.
De medewerkers van de Amerikaanse ambassade bespraken het principe van de godsdienstvrijheid met ambtenaren van het Ministerie van Justitie, Buitenlandse Zaken, Sociale Integratie en Binnenlandse Zaken, alsook met parlementsleden en regionale en lokale ambtenaren. Zij drukten hun bezorgdheid uit over de anti-semitische incidenten en drongen er bij de regering op aan haar inspanningen om deze trend te keren, op te voeren. Amerikaanse diplomaten en de Amerikaanse speciale gezant voor holocaustaangelegenheden drongen er bij de regering tevens op aan toe te treden tot de internationale Task Force on Holocaust Education, Remembrance and Research. De regering heeft de eerste stappen voor een toetreding gezet, onder meer door een waarnemer naar een vergadering van de taskforce te sturen en te overleggen met de gewesten en de gemeenschappen. Er wordt momenteel op kabinetsniveau door de medewerkers van de ambassade en het Ministerie van Justitie gesproken over de effecten van de aanbevelingen in het (nooit goedgekeurde) parlementaire rapport van 1997 inzake sektarische organisaties. De medewerkers van de ambassade brachten problemen rond godsdienstvrijheid op diverse niveaus ter sprake. Zo drukten zij hun bekommernis uit over de problemen van de Church of Scientology met de federale aanklager. In het kader van de lopende initiatieven om een permanente oplossing te vinden voor de mormonen, Assemblies of God en andere religieuze vrijwilligers die problemen hebben om visa en verblijfsvergunningen voor zendelingen- of ander religieus vrijwilligerswerk te bekomen, vroegen de medewerkers van de ambassade de minister van Arbeid om een schriftelijke verduidelijking met betrekking tot de eisen waaraan vrijwilligers moeten voldoen om een arbeidsvergunning te krijgen. Het overleg terzake tussen het Ministerie van Arbeid en de ambassade was aan het einde van de periode waarnaar dit rapport verwijst, nog niet afgerond.
De medewerkers van de ambassade ontmoetten voorts vertegenwoordigers van erkende en niet-erkende religieuze groepen die melding maakten van een of andere vorm van discriminatie in de periode waarnaar dit rapport verwijst.
Embassy of the United States