The report entitled "Country Reports on Human Rights Practices" is submitted to the Congress by the Department of State in compliance with sections 116(d) and 502B(b) of the Foreign Assistance Act of 1961 (FAA), as amended, and section 504 of the Trade Act of 1974, as amended. The law provides that the Secretary of State shall transmit to the Speaker of the House of Representatives and the Committee on Foreign Relations of the Senate, by February 25 "a full and complete report regarding the status of internationally recognized human rights, within the meaning of subsection (A) in countries that receive assistance under this part, and (B) in all other foreign countries which are members of the United Nations and which are not otherwise the subject of a human rights report under this Act." We have also included reports on several countries that do not fall into the categories established by these statutes and that thus are not covered by the congressional requirement.
|
Mensenrechtenrapport 2005BELGIE
Landenrapporten over mensenrechten - 2005 België, met een bevolking van ongeveer 10,4 miljoen mensen, is een parlementaire democratie met een constitutionele monarch, die hoofdzakelijk een symbolische functie heeft. De ministerraad (het kabinet) onder leiding van de eerste minister blijft aan zolang hij het vertrouwen van de volksvertegenwoordigers in het parlement (tweekamerstelsel) behoudt. De federale parlementsverkiezingen van mei 2003 verliepen vrij en eerlijk en resulteerden in een regeringscoalitie van vier partijen. België is een federale staat met verschillende regeringsniveaus waaronder het nationale niveau, het gewestelijke niveau (Vlaanderen, Wallonië en Brussel), het gemeenschapsniveau (Vlaams, Frans, Duitstalig), het provinciale niveau en het lokale niveau. De burgerlijke overheid stond in voor een effectieve controle op de ordediensten. In het algemeen respecteerde de overheid de mensenrechten van haar burgers. De wet en de rechterlijke macht voorzagen in efficiënte middelen om individuele misbruiken aan te pakken. Op het vlak van de mensenrechten werden volgende problemen gemeld:
EERBIED VOOR DE MENSENRECHTEN a. Willekeurige of onwettige beroving van het leven Er waren geen rapporten dat de overheid of haar vertegenwoordigers willekeurig of onwettig mensen om het leven brachten. b. Verdwijning Er waren geen rapporten van politiek geïnspireerde verdwijningen. c. Foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing De wet verbiedt dergelijke praktijken en er waren geen rapporten dat regeringsambtenaren ze toepasten. Er was geweld tegenover moslims en joden (zie deel 2.c.). Een delegatie van de Raad van het Europees Comité inzake de Voorkoming van Foltering en Onmenselijke of Onterende Behandeling of Bestraffing (CPT) bracht tussen 18 en 27 april een bezoek aan het land. De delegatie volgde een aantal punten op die bij eerdere bezoeken onderzocht werden, met name de behandeling van personen die naar verluidt door de politie van hun vrijheid beroofd werden, de procedure en methoden die toegepast worden bij de repatriëring van buitenlanders, en de omstandigheden in gevangenissen en psychiatrische ziekenhuizen. Het CPT had zijn bevindingen op het einde van het jaar nog niet bekendgemaakt. Het onderzoek naar de dood van een gevangene in de gevangenis van Lantin in 2003 werd voortgezet en was bij de jaarwisseling nog niet afgerond. Omstandigheden in gevangenissen en detentiecentra De gevangenissen beantwoordden in het algemeen aan de internationale normen. De regering werkte aan de verbetering van een aantal oudere gebouwen, maar overbevolking bleef een probleem doordat het aantal opsluitingen de bijkomende capaciteit door nieuwbouw overtrof. In de loop van het jaar werd de capaciteit van de psychiatrische afdelingen in de gevangenissen uitgebreid na kritiek op de behandeling van sommige gedetineerden. Jongeren werden soms in gevangenissen voor volwassenen opgesloten. Veroordeelde misdadigers en gevangenen in voorhechtenis werden samen vastgehouden. De regering liet bezoeken door parlementsleden en onafhankelijke mensenrechtenorganisaties toe; dergelijke bezoeken vonden plaats in de loop van het jaar. d. Willekeurige aanhoudingen of opsluitingen De wet verbiedt willekeurige aanhoudingen en opsluitingen en de overheid hield zich in het algemeen aan dat verbod. Rol van het politie- en veiligheidsapparaat De Federale Politieraad, een anticorruptiecel en het federale ministerie van Binnenlandse Zaken beheerden de operaties van de federale politiediensten. Een onafhankelijke toezichtscommissie controleerde de politieactiviteiten en stelde een jaarverslag op voor het parlement. De federale politie was verantwoordelijk voor de binnenlandse veiligheid en de ordehandhaving in heel het land. De lokale politie had afdelingen in alle 196 politiezones, die verantwoordelijk zijn voor de lokale ordehandhaving. Er waren gevallen van corruptie bij de politie. In maart werden in Boom vier politieagenten gearresteerd op beschuldiging van corruptie; hun proces begon in november. Een parlementaire toezichtscommissie bleef verslag uitbrengen over gevallen van onrechtmatig gebruik van geweld, racisme en verbale agressie door politieagenten op alle niveaus. Deze rapporten waren op het einde van het jaar in onderzoek. Arrestatie en opsluiting Een persoon kan gearresteerd worden tijdens het begaan van een misdrijf, of op basis van een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een procureur, en moet binnen 24 uur voor een rechter worden geleid. Arrestanten worden onmiddellijk geïnformeerd over de aanklacht die hen ten laste wordt gelegd. De wet voorziet in de mogelijkheid tot borgtocht, maar dit was geen courante praktijk en werd slechts in zeldzame gevallen toegestaan. In de praktijk mogen arrestanten onmiddellijk een zelfgekozen advocaat raadplegen. Als ze zich geen advocaat kunnen veroorloven, wordt er hen een toegewezen door de staat. De rechtbanken maakten zelden gebruik van de snelrechtwet, die de onmiddellijke aanhouding en snelle berechting van op heterdaad betrapte misdadigers mogelijk maakt. Er waren geen rapporten over politieke gevangenen. De duur van de voorhechtenis werd maandelijks herzien door een college van rechters dat de voorhechtenis kon verlengen op basis van vastgestelde criteria, bijvoorbeeld als het college het waarschijnlijk achtte dat de verdachte nog meer misdaden zou begaan of zou proberen te vluchten bij vrijlating. In sommige gevallen vormde de langdurige voorhechtenis een probleem. In de loop van het jaar bestond 38% van de gevangenisbevolking uit gedetineerden in voorhechtenis. De gemiddelde duur van de voorhechtenis bedroeg 90 dagen. Fehriye Erdhal, een Koerdische vrouw die beschuldigd werd van betrokkenheid bij een terroristische aanslag in Turkije, bleef onder huisarrest. In april oordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling van Brugge dat zij, samen met 10 Turkse DHKP/C-militanten, voor de rechtbank moest verschijnen om zich te verantwoorden voor beschuldigingen van wapenbezit en lidmaatschap van een terroristische organisatie. In juni besliste dezelfde kamer van inbeschuldigingstelling dat de regering niet bevoegd is om Erdhal te berechten voor haar rol in een Turkse moordzaak van 1996. In oktober besliste de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent dat het Assisenhof Erdhal niet kon berechten omdat de Turkse moordzaak buiten zijn rechtsgebied lag. e. Ontzegging van een eerlijk openbaar proces De wet voorziet in een onafhankelijke rechterlijke macht, en de overheid heeft zich in de praktijk in het algemeen aan deze bepaling gehouden. Het gerechtelijk apparaat bestaat uit burgerlijke en strafrechtbanken, die allebei zaken doorverwijzen naar het hof van beroep. De rechtbanken van eerste aanleg (arrondissementsrechtbanken) behandelen burgerlijke en handelsgeschillen die buiten de bevoegdheid van de vrederechter vallen. Er zijn vijf hoven van beroep en één Hof van Cassatie die zowel toezicht houden op de burgerlijke als op de strafrechtbanken. Het Hof van Cassatie gaat na of de wet correct is toegepast en of er geen procedurefouten werden gemaakt. Als het Hof van Cassatie een uitspraak vernietigt, wordt de zaak doorverwezen naar een van de hoven van beroep waar de feiten opnieuw worden onderzocht. De strafrechtbanken omvatten de politierechtbank, de correctionele rechtbanken en de strafkamers van het hof van beroep. Daarnaast heeft elke provincie een hof van assisen met een volksjury. Deze rechtbanken zijn bevoegd voor de zwaarste misdaden en voor politieke misdaden. De assisenhoven zijn rechtbanken van eerste en laatste aanleg en tegen hun uitspraken is geen beroep mogelijk. In elk gerechtelijk arrondissement is een arbeidsrechtbank, die geschillen tussen werkgevers en werknemers behandelt over lonen, ontslag, concurrentiebepalingen en sociale zekerheidsuitkeringen. Elk arrondissement telt ook een magistraat die zaken opvolgt waarbij religieuze groeperingen betrokken zijn (zie deel 2.c.). Gerechtelijke procedures De wet voorziet in het recht op een eerlijk proces, en een onafhankelijke rechterlijke macht versterkte dit recht in het algemeen. Alle beklaagden worden als onschuldig beschouwd en hebben het recht aanwezig te zijn, een advocaat te raadplegen (indien nodig op kosten van de gemeenschap), getuigen op te roepen, bewijsmateriaal aan te brengen en in beroep te gaan. Volgens de wet kunnen vermeende oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid die buiten het nationaal grondgebied begaan werden, alleen berecht worden als het slachtoffer of de dader de Belgische nationaliteit heeft of in België woont. Op 28 juni veroordeelde het Brusselse Assisenhof twee Rwandezen voor hun aandeel in de Rwandese genocide van 1994. Ze kregen respectievelijk 10 en 12 jaar opsluiting. In juli sprak hetzelfde hof zich uit over schadevergoedingen aan slachtoffers. De regering vervolgde de gewezen president van Tsjaad, Hissein Habre, voor misdaden tegen de menselijkheid waarvan Belgische burgers het slachtoffer waren in Tsjaad. Politieke gevangenen Er waren geen rapporten van politieke gevangenen. f. Willekeurige inmenging in persoonlijke aangelegenheden, gezin, thuis of briefwisseling De wet verbiedt dergelijke daden, en in de praktijk hield de overheid zich in het algemeen aan dit verbod. Deel 2: Eerbied voor de burgerrechten, met inbegrip van: a. Vrijheid van pers en meningsuiting De wet voorziet in de vrijheid van pers en meningsuiting. In de praktijk hield de overheid zich daar in het algemeen aan en de academische vrijheid werd niet beperkt. De combinatie van een onafhankelijke pers, een efficiënte rechterlijke macht en een goed werkend democratisch politiek systeem stond borg voor de vrijheid van pers en meningsuiting. b. Vrijheid van vreedzame vereniging en vergadering De wet voorziet in de vrijheid van vereniging en vergadering, en in de praktijk werden die rechten in het algemeen door de overheid geëerbiedigd. c. Vrijheid van godsdienst De wet voorziet in de vrijheid van godsdienst, en in de praktijk eerbiedigde de overheid in het algemeen dit recht. De wet kende de status van "erkende godsdienst" toe aan zes godsdiensten en een groepering van niet-confessionele filosofische of seculiere organisaties, die allemaal uitkeringen krijgen van de federale en de gewestregeringen. Het gebrek aan officiële erkenning weerhield niet-erkende religieuze groeperingen er doorgaans niet van vrij hun geloof te belijden, en de burgers werden daarbij in het algemeen niet gehinderd door de overheid. In 1996 hoorde een parlementaire onderzoekscommissie getuigenissen over en van 189 sektarische of niet-erkende religieuze organisaties. Naar aanleiding van het onderzoek keurde het parlement een wet goed ter oprichting van een onafhankelijke, overheidsgefinancierde organisatie: het Informatie- en Adviescentrum inzake Schadelijke Sektarische Organisaties (IACSSO). Het IACSSO doet onderzoek naar sektarische organisaties en behandelt vragen naar informatie vanwege de overheid of het publiek in dit verband. De analyse van het Centrum is niet altijd vleiend voor de onderzochte organisaties, maar tot nog toe werd geen enkele groep "schadelijk" bevonden. Over een aantal groepen waarnaar het meest geïnformeerd wordt, heeft het IACSSO informatieve boekjes gepubliceerd. Sommige groeperingen klaagden er nog steeds over dat hun vermelding in het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie tot discriminatie tegen hen leidde. Hoewel de lijst (een bijlage bij de parlementaire handelingen) geen officiële status heeft, bleven de groepen verklaren dat de bekendheid van de lijst en de overheidssteun aan het IACSSO negatieve vermoedens en schuld door associatie aanwakkerden. Concreet heeft het IACSSO, dat 8 personeelsleden sterk is, in zijn bibliotheek informatie over meer dan 500 organisaties. In juli kondigde minister van Justitie Laurette Onkelinx aan dat de regering de Kerk van Scientology niet zou erkennen, en bevestigde ze dat de kerk op de parlementaire lijst voorkwam. In juni oordeelde een rechter van het Hof van Beroep in Brussel dat de Kerk van het Koninkrijk Gods schade had geleden door de vermelding in het parlementaire rapport over sektarische organisaties. De voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers voerde aan dat de uitspraak van de rechter de wetgevende macht en de onafhankelijkheid van de wetgevers ondermijnde, en tekende beroep aan bij de hoogste rechtbank van het land. Op het einde van het jaar was de zaak nog hangende. De politieke leiders gingen een parlementair debat over het gebruik van religieuze symbolen in gemeenschapsscholen uit de weg, en stonden toe dat individuele scholen hierover zelf bleven beslissen. In juni oordeelde het Hof van Beroep van Antwerpen dat gemeenschapsscholen hoofddoeken kunnen verbieden als dat de onderwijsdoelstellingen ten goede komt. De Beweging tegen Racisme, Antisemitisme en Xenofobie vroeg aan de Raad van State de vernietiging van individuele schoolrichtlijnen om hoofddoeken te verbieden. Het beroep was op het einde van het jaar nog hangende. De gemeenteoverheid van Maaseik beboette een vrouw die een boerka droeg (een kledingstuk dat ook het volledige hoofd en gezicht behalve de ogen bedekt), op basis van een richtlijn van 1993 die stelt dat iedereen op straat identificeerbaar moet zijn. De gemeenschap aanvaardde de beslissing en de vrouwen dragen de boerka niet meer in het openbaar. In de immigratiewetgeving is niets bepaald voor buitenlandse leden van religieuze groeperingen die het land willen binnenkomen met het oog op religieus werk of de aanvraag van een werkvergunning in dat verband. Toch bleven verscheidene religieuze groepen, waaronder de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, visa ontvangen voor buitenlandse leden om hier tijdelijk zendingwerk te verrichten. Maatschappelijke misbruiken en discriminatie Joodse belangengroepen telden 27 antisemitische incidenten tijdens de eerste helft van het jaar, en moslimorganisaties maakten melding van een aantal anti-islamitische incidenten. In oktober was er verslag uitgebracht over 42 incidenten tegenover 27 in dezelfde periode in 2004. Het ging om verbale agressie, swastika’s die op gebouwen geschilderd werden en enkele fysieke aanvallen. In april veroordeelde het Antwerpse Hof van Beroep een auteur die in geschriften de genocide door de nazi’s ontkende. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar en de betaling van een symbolische schadevergoeding. Hij verloor ook zijn burgerrechten voor een periode van 10 jaar. Voor een meer gedetailleerde bespreking verwijzen we naar het internationaal rapport 2005 over godsdienstvrijheid. d. Recht om zich vrij te verplaatsen in eigen land, om zijn land te verlaten en om terug te keren Deze rechten zijn wettelijk geregeld en werden in de praktijk algemeen door de overheid gerespecteerd. De wet verbiedt gedwongen uitzetting en de overheid maakte er geen gebruik van. Bescherming van vluchtelingen De wet voorziet in het toekennen van asiel of de status van vluchteling in overeenstemming met de VN-Conventie van 1951 betreffende de Status van Vluchtelingen en het protocol terzake van 1967, en de regering heeft een systeem uitgewerkt om vluchtelingen te beschermen. De overheid bood in de praktijk bescherming tegen uitwijzing, de terugkeer van personen naar een land waar ze vervolging vrezen. De regering kende de status van vluchteling of asiel toe. De overheid bood ook tijdelijke bescherming aan personen die mogelijk niet als vluchteling erkend worden volgens de conventie van 1951 en het protocol van 1967. In de loop van het jaar werd deze bescherming aan ongeveer duizend mensen toegekend. Voor de bijstand aan vluchtelingen en asielzoekers werkte de regering samen met de diensten van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen en andere humanitaire organisaties. In samenwerking met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) bood de regering steun voor de hervestiging van afgewezen asielzoekers die ermee instemden vrijwillig terug te keren naar hun land van herkomst. Afgewezen asielzoekers die het land niet vrijwillig verlieten, werden gedwongen gerepatrieerd. Er zijn zes detentiecentra voor buitenlanders die het land illegaal binnenkomen. In de loop van het jaar verbeterde de regering de faciliteiten om minderjarigen apart van volwassenen onder te brengen. Kinderen van asielzoekers, ook degenen die op repatriëring wachtten, gingen naar school. In de praktijk stelde de regering de repatriëring uit voor hele gezinnen met kinderen die school liepen. Asielzoekers zonder papieren die per vliegtuig arriveerden, en die volgens de immigratiebeambten geen aanspraak konden maken op asiel, mochten het land niet binnen maar werden vastgehouden in een gesloten centrum op de luchthaven in afwachting van hun gedwongen of vrijwillige repatriëring. In de loop van het jaar startten Koerdische asielzoekers een hongerstaking. Hun uitwijzing werd twee maanden opgeschort. Er waren nog incidenten met asielzoekers die in hongerstaking gingen als protest tegen hun op handen zijnde repatriëring; hun verblijf in het land werd niet verlengd. In de zomer waren er incidenten met de politie die afgewezen asielzoekers verplaatste van open naar gesloten centra. Naar aanleiding van de incidenten kwamen groepen die het opnemen voor asielzoekers en het ministerie van Binnenlandse Zaken overeen het verblijf in een gesloten centrum vóór de repatriëring zo kort mogelijk te maken. In april veroordeelde een rechtbank in Brussel de regering tot de betaling van een schadevergoeding aan een Koerd die zeven jaar had moeten wachten op een definitieve uitspraak over zijn asielaanvraag. De rechtbank oordeelde dat de regering er niet in geslaagd was de aanvraag snel af te handelen. Deel 3: Eerbied voor de politieke rechten: het recht van de burgers om een nieuwe regering te kiezen. De wet geeft de burgers het recht vreedzaam van regering te veranderen en de burgers van 18 en ouder oefenden dat recht in de praktijk uit via periodieke, vrije en eerlijke verkiezingen op basis van het algemeen stemrecht. Voor alle verkiezingen geldt de stemplicht en wie niet gaat stemmen, riskeert een boete. Verkiezingen en politieke participatie In mei 2003 werden parlementsverkiezingen gehouden, die vrij en eerlijk verliepen en tot een regeringscoalitie met vier partijen leidde. De meeste grote instellingen, met inbegrip van de politieke partijen, zijn opgesplitst per taal. Bij federale, gewestelijke en nationale linguïstische beslissingen wordt vaak rekening gehouden met de specifieke noden van elk gewest en van elke taalgroep. Met drie officiële talen kende het land een complex taalregime, met inbegrip van taalvereisten voor diverse verkiesbare functies en benoemingen. De wet verbiedt de officiële financiering van racistische of xenofobe partijen of partijen die de mensenrechten schenden. De Kamer Van volksvertegenwoordigers telde 53 vrouwen op een totaal van 150 zetels, en de senaat 26 op een totaal van 71 zetels; 5 van de 21 federale ministers en 12 van de 33 gewestministers waren vrouwen. In 2002 keurde het parlement een wet goed die bepaalt dat er voor alle gewestelijke en federale verkiezingen evenveel mannen als vrouwen op de kieslijsten moeten staan. De Kamer van Volksvertegenwoordigers telde vier leden van minderheden, en de Senaat zes; één federale minister en twee gewestministers waren leden van minderheden. In 2004 besliste de minister van Justitie om een commissie op te richten om te helpen bij de voorbereiding van de verkiezingen van de representatieve organen van de moslimgemeenschap. De verkiezingen voor de algemene vergadering vonden plaats op 20 maart. Slechts 43.765 moslims brachten hun stem uit. Kandidaten van Turkse herkomst sleepten 40 van 68 zetels in de wacht, die van Marokkaanse origine vergaarden 20 zetels, 6 zetels gingen naar kandidaten met een andere achtergrond en 2 naar Belgen van Europese afkomst. Na de verkiezingen kwam het Executief tot een consensus om een groter aandeel vertegenwoordigers van Marokkaanse origine in het Executief te verkiezen, aangezien zij de grootse moslimgemeenschap in het land uitmaken. Corruptie en transparantie bij de overheid In de loop van het jaar kwamen er verschillende gevallen van corruptie op middelgrote schaal door plaatselijke ambtenaren aan het licht. Twee gemeenteraadsleden zaten verscheidene weken in de gevangenis voordat ze op borgtocht vrijkwamen. Zij werden ervan beschuldigd zich persoonlijk te verrijken op kosten van een plaatselijke huisvestingsmaatschappij die ze beheerden. Als gevolg daarvan moest de minister-president van het Waalse Gewest ontslag nemen. Andere zaken worden nog onderzocht. De regering geeft burgers en niet-burgers vrije toegang tot regeringsinformatie; hierop werden evenwel uitzonderingen gemaakt, bijvoorbeeld voor materiaal dat verband houdt met de nationale veiligheid. Deel 4:
Houding van de regering inzake internationale en
niet-gouvernementele onderzoeken naar vermeende schendingen van de
mensenrechten Een aantal nationale en internationale
mensenrechtenorganisaties werden in hun activiteiten niet gehinderd
door de overheid. Zij onderzochten mensenrechtenzaken en
publiceerden hun bevindingen. Overheidsambtenaren werkten heel goed
mee en stonden open voor hun standpunten. Deel 5:
Discriminatie, misbruik door de samenleving en mensenhandel Discriminatie op basis van ras, geslacht, handicap, taal of sociale status is bij wet verboden, en in het algemeen zag de overheid toe op de naleving van deze wetten. Toch vormden geweld tegen vrouwen, mensenhandel en geweld tegen minderheden een probleem. Vrouwen Geweld tegen vrouwen thuis, ook binnen het huwelijk, bleef een probleem. Een op vijf vrouwen was slachtoffer van huiselijk geweld, en in 13,4 procent van de gevallen ging het om zwaar geweld (die ziekenhuisopname vereiste). In 2004 noteerde de federale politie 10.137 gevallen van huiselijk geweld. In een nationaal proefproject dat in twee gerechtelijke arrondissementen liep, moeten politieverslagen doorgestuurd worden naar de procureur om actie te ondernemen. Op het einde van het jaar waren er nog geen resultaten beschikbaar. In de wet wordt huiselijk geweld gedefinieerd en strafbaar gesteld, en de wet legt boeten en gevangenisstraffen op. Op het einde van het jaar waren er geen cijfers beschikbaar over gerechtelijke vervolgingen en veroordelingen. Volgens de wet mag de politie zonder toestemming van het gezinshoofd een woning binnenvallen om een klacht van huiselijk geweld te onderzoeken. Maar er waren klachten dat de politie dit in de praktijk niet zo vaak deed. Op het einde van het jaar had de regering de wetsbepalingen die haar ertoe verplichten een database met statistieken inzake huiselijk geweld aan te leggen en bij te houden, nog niet volledig doorgevoerd. In heel het land was een aantal door de overheid gesteunde schuilplaatsen en noodnummers beschikbaar. Naast onderdak en advies boden veel organisaties ook juridische bijstand, hulp bij het zoeken naar een job en psychologische begeleiding voor beide partners. Verkrachting, ook binnen het huwelijk, is strafbaar en wordt vervolgd. Er waren echter geen gegevens beschikbaar over het aantal personen dat beschuldigd werd van verkrachting, ook binnen het huwelijk, of hiervoor veroordeeld werd. De gevangenisstraf voor verkrachting gaat van minimum 10 jaar tot levenslang. De maximumstraf wordt bepaald op basis van de leeftijd van het slachtoffer. Prostitutie is niet strafbaar, maar de wet verbiedt de organisatie van prostitutie en de ondersteuning van immigratie met het oog op prostitutie. Vrouwenhandel was een probleem (zie deel 5, Mensenhandel). Ongewenst seksueel gedrag is verboden, en de overheid zag in het algemeen toe op de naleving van de wet. Een slachtoffer van ongewenst seksueel gedrag op het werk kan een rechtsgeding aanspannen en schadevergoeding eisen. Hoewel de slachtoffers van ongewenst seksueel gedrag wettelijk het recht hebben de daders te vervolgen en financiële vergoeding te eisen, werden de meeste gevallen van ongewenst seksueel gedrag informeel opgelost. De wet voorziet in de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, ook met betrekking tot het familierecht, het eigendomsrecht en in het gerechtelijk apparaat. Het Instituut voor de Gelijkheid van Mannen en Vrouwen is gemachtigd rechtsvorderingen in te stellen als het van mening is dat de gelijkheidswetgeving met de voeten is getreden. Er was enige economische discriminatie tegen vrouwen; het gemiddelde brutoloon van een vrouw was gelijk aan 85 procent van het gemiddelde nationale brutoloon. Kinderen De overheid zette zich in voor de rechten en het welzijn van kinderen. Kosteloos voltijds onderwijs is verplicht van 6 tot 16 jaar; daarna blijft onderwijs verplicht tot 18 jaar, maar leerlingen mogen halftijds school lopen. De meeste kinderen ouder dan 15 jaar (meer dan 75 procent) behalen een diploma van secundair onderwijs. Er is doorgaans weinig verschil tussen de schoolprestaties van meisjes en jongens. De overheid financierde gezondheidszorg; jongens en meisjes hadden hier gelijke toegang toe. Er waren rapporten van kindermisbruik. In de loop van het jaar waren er 60 vervolgingen voor kindermisbruik. Door de sensibiliseringscampagnes om het grote publiek bewust te maken van de problemen van kindermisbruik, steeg het aantal meldingen van kindermisbruik en verwaarlozing. De wet voorziet in de bescherming van jongeren tegen seksuele uitbuiting, ontvoering en kinderhandel. In de wet zijn zware straffen ingeschreven voor kinderpornografie en het bezit van pedofiel materiaal. De wet maakt het mogelijk ingezetenen te vervolgen die dergelijke misdrijven in het buitenland begaan, en bepaalt dat misdadigers die veroordeeld werden voor seksueel kindermisbruik niet voorwaardelijk vrijgelaten kunnen worden zonder eerst gespecialiseerde hulp te hebben gekregen. Daarnaast moeten zij na hun vrijlating de begeleiding en behandeling voortzetten. De overheid en een aantal privé-groepen organiseerden opvang voor weglopers en begeleiding voor kinderen die fysiek of seksueel misbruikt werden. Child Focus, het door de overheid gesteunde centrum voor vermiste en misbruikte kinderen, meldde dat het in 2004 3.305 zaken behandelde met betrekking tot 3.658 kinderen. Ongeveer 40 procent van de gemelde gevallen had betrekking op weglopers, 17 procent op ontvoeringen door ouders, 30 procent op verdwijningen en bijna 10 procent op pedofiliegevallen. Hoewel kinderprostitutie geen wijdverspreid fenomeen is, was het een probleem. Als gevolg van een overheidscampagne in 2004 om kinderprostitutie te voorkomen, leek het publiek zich meer bewust van het probleem, wat uiteraard tot meer meldingen leidde. Kinderhandel was een probleem (zie deel 5, Mensenhandel) Mensenhandel Mensenhandel is strafbaar; toch was het land zowel transitzone als eindbestemming voor vrouwen- en kinderhandel. Ondanks wetten die buitenlandse slachtoffers van mensenhandel die zich aanmelden, bescherming en een langdurig verblijf in het land bieden, wezen zowel gouvernementele als niet-gouvernementele bronnen op de voortdurende toename in de handel van vrouwen en minderjarigen met het oog op seksuele uitbuiting. De wet bepaalt dat wie veroordeeld wordt voor het overtreden van de anti-mensenhandelwetgeving, een tot vijf jaar gevangenisstraf en aanzienlijke boetes kan oplopen. Leden van “organisaties” die zich toeleggen op mensenhandel en personen die misdrijven met verzwaarde omstandigheden plegen, kunnen rekenen op 10 tot 15 jaar dwangarbeid en hogere boetes. De straffen op kinderhandel zijn veel zwaarder, mogelijk tot levenslange opsluiting als het slachtoffer jonger is dan 10. In de loop van het jaar werd nieuwe wetgeving van kracht die zwaardere straffen oplegt voor de handel in onbegeleide minderjarigen, die het niet langer mogelijk maakt de instemming van het slachtoffer ter verdediging in te roepen, en die verzwarende omstandigheden creëert die de straf kunnen verhogen. In april 2004 vaardigde de minister van Justitie een nieuwe richtlijn uit in verband met het onderzoek naar mensenhandel. Er worden verbindingsmagistraten aangesteld bij de rechtbanken van eerste aanleg, de hoven van beroep en de arbeidsrechtbanken. Ze maken deel uit van het expertisenetwerk van het College van Procureurs-Generaal. De richtlijn bepaalt dat magistraten voorrang moeten geven aan zaken waarbij jonge slachtoffers betrokken zijn, zaken met betrekking tot de aantasting van de menselijke waardigheid en met gebruik van geweld. De minister bepaalde als tweede prioriteit zaken waarbij criminele organisaties betrokken zijn, zaken van aanhoudende criminele activiteit, en die met een belangrijke sociale impact. De richtlijn stelde nieuwe instructies op voor de onderzoeksmethode, waarbij de verantwoordelijkheid bevestigd wordt van de cel mensenhandel van de federale politie om strategische en operationele analyses te verrichten. In 2004 maakte de federale politie melding van een aanzienlijke toename van het aantal Bulgaarse bendes die betrokken waren bij gedwongen prostitutie en aanverwante misdaden, een toename in de privé-prostitutie en escortdiensten, en een afname van het aantal Afrikaanse prostituees die in bars werken. De regering werkte mee aan internationale onderzoeken naar mensenhandel. De slachtoffers van de mensenhandel waren nog steeds in de eerste plaats afkomstig uit de Afrikaanse landen onder de Sahara (vooral Nigeria), Centraal- en Oost-Europa (vooral Albanië en Bulgarije) en Azië (vooral China). De Nigeriaanse en Albanese slachtoffers waren meestal vrouwen tussen 21 en 30 jaar, die verhandeld werden met het oog op prostitutie. De slachtoffers van seksuele uitbuiting waren steeds vaker vrouwen van minder dan 18 jaar. De vrouwen werden soms met geweld bedreigd door bendes die de handel beheersten. Courante bedreigingen omvatten vergeldingsacties tegen familieleden van de slachtoffers in hun vaderland. De Chinese slachtoffers waren vaak jonge mannen die werden verhandeld als hulpje in restaurants en sweatshops. Er werd een daling vastgesteld in het aantal zaken van mensenhandel die het werk waren van georganiseerde bendes uit Centraal- en Oost-Europa, vooral uit Albanië. Hoewel steeds meer slachtoffers uit de anonimiteit traden, leidde dit zelden tot de identificatie of aanhouding van de mensenhandelaars. De mensenhandelaars verplaatsten hun slachtoffers niet alleen vaak van stad naar stad in hetzelfde land, maar maakten ook gebruik van de open Europese grenzen om hun slachtoffers van land naar land te smokkelen. De bewegingsvrijheid maakte het ook gemakkelijk voor mensenhandelaars om hun aanhouding te ontlopen als een van hun slachtoffers naar de autoriteiten stapte. De wet bepaalt dat slachtoffers van mensenhandel die bewijzen tegen hun mensenhandelaars aanbrengen, tijdelijke verblijfs- en werkvergunningen kunnen krijgen en in aanmerking komen voor aanzienlijke financiële bijstand van de door de overheid gesponsorde en door NGO’s beheerde onthaalcentra. In elk van de drie gewesten stelde de overheid een non-profitorganisatie aan om die hulp te verstrekken en zorgde ze voor de nodige fondsen. Bij de afsluiting van de processen tegen de mensenhandelaars kregen de slachtoffers meestal een permanente verblijfs- en werkvergunning. De rechten van de slachtoffers werden in de praktijk geëerbiedigd, zij werden niet als misdadigers behandeld. Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding hield geen statistieken bij over het aantal slachtoffers van seksuele uitbuiting dat werd opgevangen en geholpen. In 2004 verleenden de drie gewestelijke gespecialiseerde centra onderdak aan 893 slachtoffers, die vooral afkomstig waren uit Nigeria, China, Roemenië, Bulgarije en Albanië. De overheid werkte nauw samen met de IOM om programma’s ter bestrijding van de mensenhandel te ontwikkelen en hulp te verlenen aan slachtoffers. Zo trok de regering fondsen uit voor voorlichtingscampagnes in de landen van oorsprong om de vrouwen te waarschuwen voor de gevaren van mensenhandel. Zij gaf tevens middelen om de IOM te helpen bij de vrijwillige terugkeer van slachtoffers naar hun vaderland en bij de heraanpassing in eigen land. De regering werkte bovendien nauw samen met en ondersteunde NGO’s die de mensenhandel bestreden. Gehandicapten De wet stelt dat personen met een handicap beschermd moeten worden tegen discriminatie op het vlak van werkgelegenheid, onderwijs, toegang tot de gezondheidszorg en tot andere overheidsdiensten. Er waren geen rapporten van maatschappelijke discriminatie tegen gehandicapten. De regering besliste dat openbare gebouwen die na 1970 waren opgetrokken, toegankelijk moesten zijn voor gehandicapten, maar veel oudere gebouwen zijn nog steeds ontoegankelijk. Nationale, etnische en rassenminderheden Immigrantengemeenschappen beklaagden zich over discriminatie. Leden van de moslimgemeenschap, die op 450.000 mensen geraamd wordt, en vooral die van Marokkaanse en Turkse origine, beweerden dat hun gemeenschap, en dan vooral jonge mannen, op het vlak van onderwijs en tewerkstelling sterker gediscrimineerd werd dan andere immigrantengemeenschappen. In 2004 behandelde het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, dat meldingen van discriminatie moet onderzoeken, 924 klachten. In zijn jaarverslag over 2004 maakte het Centrum melding van een toename van het aantal klachten met betrekking tot racisme en discriminatie op het werk. De discriminatie had betrekking op aanwerving, verbale agressie en beëindiging van het contract op basis van huidskleur, geloof en het dragen van een hoofddoek. In de loop van het jaar waren er doorlopend rapporten van etnische en religieuze incidenten, die vooral tegen moslims en joden gericht waren (zie deel 2.c.). De toename van het aantal antisemitische niet-gewelddadige incidenten waarvan sprake in sommige officieuze rapporten, weerspiegelt mogelijk de toegenomen en vlottere mogelijkheid tot rapportering. Andere maatschappelijke misbruiken en discriminatie Discriminatie tegen homoseksuelen kreeg heel wat aandacht vanwege het publiek en de politiek. In april veroordeelde een rechtbank in Nijvel een eigenaar die weigerde een huis te verhuren aan een koppel van hetzelfde geslacht. Het was de eerste veroordeling ooit voor discriminatie tegen homoseksuelen. In mei veroordeelde een jeugdrechter op basis van de antidiscriminatiewet twee jongeren voor slagen en verwondingen op een homoseksueel koppel. In België zijn homohuwelijken toegestaan. Deel 6:
Rechten van de werknemer a. Het recht op vereniging De wet bepaalt dat werknemers vrij mogen vergaderen en dat zij het recht hebben naar eigen keuze vakbonden op te richten en er zich bij aan te sluiten. De werknemers oefenden dit recht in de praktijk uit. Ongeveer 63 procent van de werkende en niet-werkende werknemers waren aangesloten bij een vakbond. Tijdens het jaar klaagden de vakbonden over de (zowel wettelijke als praktische) moeilijkheden die ze ondervonden om de werknemers van kleine ondernemingen en kleinhandelszaken te organiseren. De boeten voor discriminatie van vakbonden zijn te laag om dit type discriminatie effectief te ontmoedigen. Volgens de Internationale Confederatie van Vrije Vakverenigingen (ICVV) betalen werkgevers liever een boete dan werknemers die ontslagen zijn wegen vakbondsactiviteiten opnieuw in dienst te nemen. b. Het recht op organisatie en collectief overleg De wet bepaalt dat vakbonden hun activiteiten zonder inmenging mogen uitoefenen, en de overheid beschermt dit recht in de praktijk. Het recht op collectief overleg wordt erkend en in de praktijk door de overheid beschermd. Ongeveer 63 procent van alle werknemers werden door dergelijke overeenkomsten gedekt. De wet voorziet in het stakingsrecht en de werknemers hebben dit recht in de praktijk uitgeoefend. Volgens het ICVV werd het stakingsrecht in de praktijk vaak ondermijnd; de voorbije jaren stapten werkgevers geregeld naar de rechtbank om stakingen te laten verbieden. Aangezien deze praktijk wijdverspreid was, sloten de sociale partners een "gentlemen's agreement", die de dialoog tussen de sociale partners bij collectieve geschillen wilde bevorderen. Sinds 2002 beperken de rechtbanken het stakingsrecht door een overeenkomst die zowel de werknemers als het management aanzet tot "sociale dialoog." Ondanks deze "sociale dialoog" vonden er in de loop van het jaar minstens drie stakingen plaats. Er zijn geen exportverwerkende zones. c. Het verbod op gedwongen of dwangarbeid De wet verbiedt gedwongen arbeid en dwangarbeid, ook door kinderen. Toch maakten bepaalde rapporten melding van dergelijke activiteiten (zie deel 5). d. Het verbod op kinderarbeid en de minimumleeftijd voor tewerkstelling De wet en het beleid beschermen kinderen in het algemeen tegen uitbuiting op het werk. De minimumleeftijd om kinderen aan het werk te zetten bedroeg 15 jaar. Jongeren tussen 15 en 18 konden deelnemen aan programma’s om parttime te werken en te studeren en voltijds te werken tijdens de schoolvakanties. Er waren gevallen van kinderhandel (zie deel 5). De arbeidsrechtbanken controleerden nauwgezet de naleving van de nationale wetten en normen, en op het einde van het jaar waren er geen overtredingen vastgesteld. e. Aanvaardbare arbeidsvoorwaarden Het nationale minimummaandloon voor werknemers ouder dan 21 bedroeg ongeveer $1,492 (1,243 euro), met hieraan uitgebreide sociale voordelen gekoppeld, waardoor een werknemer en zijn gezin een degelijke levensstandaard genieten. Een normale werkweek mag niet meer dan 38 uur tellen, en de nationale collectieve arbeidsovereenkomst verbiedt werkdagen van meer dan 11 uur en werkweken van meer dan 50 uur. Tussen 2 werkperioden moet een rustperiode van 11 uur in acht genomen worden. Overuren worden van maandag tot zaterdag aan anderhalf tarief uitbetaald en op zondag aan dubbel tarief. Het ministerie van Tewerkstelling en de arbeidsrechtbanken voerden deze wetten en voorschriften effectief uit. De wet omvat uitgebreide voorzieningen om de veiligheid van de werknemers te verzekeren. De werknemers hebben het recht zich te onttrekken aan situaties die hun veiligheid of gezondheid in gevaar brengen, zonder risico op ontslag, en de werknemers oefenden dit recht in de praktijk uit. Voorschriften werden in het algemeen effectief uitgevoerd. Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en
Racismebestrijding maakte melding van toegenomen discriminatie op
het werk op basis van land van herkomst en ras (zie deel 5).
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||